
Academische drift of professioneel koers houden?
In het hoger onderwijs woedt al decennialang een discussie over de diversiteit van de instellingen, programma’s en doelgroepen. Dat geldt zowel internationaal als in Nederland. Diversiteit wordt doorgaans als belangrijk beschouwd, omdat het keuzemogelijkheden biedt voor studenten en medewerkers, specialisatie bevordert en het aanpassingsvermogen van het stelsel vergroot.
Vaak wordt geconcludeerd dat het met die diversiteit niet de goede kant op gaat, ook niet in Nederland. Bij ons speelt die discussie feitelijk al sinds de formele totstandkoming van het binaire stelsel in 1986. Vragen die daarbij opkomen zijn: Gaan onze universiteiten te veel op elkaar lijken? En geldt dat ook voor hogescholen, nog eens versterkt door de fusiegolf in de jaren ’90 en ’00 toen we van meer dan 350 naar nu 36 bekostigde hogescholen gingen? De meest gestelde vraag is evenwel of de verschillen tussen universiteiten enerzijds en hogescholen anderzijds steeds kleiner worden.
Belangrijk is dat ten aanzien van die laatste vraag veel wordt beweerd, maar opvallend weinig op basis van empirisch onderzoek. Op welke onderdelen en in welke mate gaan universiteiten en hogescholen steeds meer op elkaar lijken? Wat zijn daarvan de oorzaken? En vinden we dit nu goed of slecht? Zo is het nogal een verschil wanneer je zou constateren dat de opleidingen steeds meer overlap vertonen (dat lijkt mij relevant), of wanneer je wijst op het overnemen van academische tradities, zoals het dragen van de vierkante hoed (mortarboard) bij het afstuderen (dat lijkt mij minder relevant).
Op dit (gebrek aan) empirisch onderzoek kom ik graag nog eens terug. Voor nu wil ik twee belangrijke verschijnselen benoemen die ons kunnen helpen in de discussie over de vermeende convergentie van universiteiten en hogescholen - en wat dat betekent voor Zuyd.
Aan de kant van de hogescholen kan er sprake zijn van academische drift (academic drift). Dit betekent dat zij zich steeds meer gaan toeleggen op academische onderwijsprogramma’s, op theoretisch onderzoek en het opleiden tot academisch onderzoeker. Deze verschuiving kan verschillende oorzaken hebben, zoals de wens om meer status te krijgen, de ontwikkeling van het eigen personeel en het vergroten van inkomsten. In diverse beleidsrapporten worden hogescholen verweten zich schuldig te maken aan dergelijke academische drift, met verwijzing naar onder andere hun masterprogramma’s, de groei van het praktijkgericht onderzoek en de professional doctorate als derde fase opleiding.
Omgekeerd kan er aan de kant van de universiteiten juist sprake zijn van professionele drift (vocational drift). Indicaties daarvan zijn bijvoorbeeld een toename van het aantal praktijkgerichte opleidingen, de groei van het toegepaste onderzoek en de valorisatie van ontwikkelde kennis. Ook aan deze verschuiving kunnen verschillende oorzaken ten grondslag liggen, zoals de wens om meer studenten aan te trekken, maatschappelijk relevanter te worden en meer middelen te verwerven.
Zoals gezegd, over de mate waarin dit driften zich ook daadwerkelijk (empirisch) manifesteert kom ik nog eens te spreken. Wat voor Zuyd (en voor hogescholen en universiteiten in Nederland in het algemeen) belangrijk is, is hoe we onze verantwoordelijkheid nemen om het aanbod van onze kerntaken van onderwijs, onderzoek en kennisoverdracht ten behoeve van de maatschappij voldoende divers te houden. Dat meet je niet af aan de master- of professional doctorate programma’s van de hogescholen, of aan de omvang van ons onderzoek. En ook niet door te stellen dat een universitaire studie in de rechtsgeleerdheid of geneeskunde beroepsgericht is en daarom niet academisch of niet onderzoeksgericht zou zijn (quod non). Nee, die diversiteit moet vooral borgen dat we als gezamenlijke instellingen én voldoende professioneel en praktijkgericht aanbod bieden, én voldoende academische en fundamenteel wetenschappelijke activiteiten ontplooien.
Bij Zuyd kiezen we er daarom voor om onze positie als kennisinstelling verder te versterken. Het is één van de vijf beloften van onze strategie ‘Het begint met jou’. Dit doen we door het aanbieden van professionele masters en van professional doctorate programma’s. Door het uitbreiden van ons praktijkgericht onderzoek, maximaal samen met bedrijven, buurten en instellingen. En door de koppelingen in de driehoek onderwijs-onderzoek-werkveld nóg krachtiger te maken. Niet op basis van het beschermen van intellectueel eigendom, maar juist op basis van professioneel delen. Daarmee schuiven we niet op richting de onderzoeksuniversiteiten, maar versterken we juist ons profiel als toegepaste hogeschool of universiteit (what’s in the name). Geen academische drift maar professioneel koers houden, dat is onze opdracht.
Het kan goed zijn dat we over vijf of tien jaar het Nederlandse binaire stelsel van hoger onderwijs, met het geformaliseerde onderscheid tussen universiteiten en hogescholen, in het museum hebben bijgezet. Het is eveneens zeer wel mogelijk dat we hier in Limburg al eerder verdere stappen in zetten en een gezamenlijk aanbod creëren van beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs, praktijkgericht en fundamenteler onderzoek. Daar is veel voor te zeggen. Niet omdat we steeds meer op elkaar gaan lijken. Maar omdat we juist divers, complementair en maximaal toegankelijk willen zijn.